|
Later in de oorlog voer Bralt als kapitein op een haaienvissersboot aan de westkust van Centraal Amerika. Deze boot viste op twee dieren: eerst werden dolfijnen geharpoeneerd, waarna hun vlees gebruikt werd als aas voor de haaien. De haaien hapten in één van de twintig haken aan de acht vislijnen. Ze werden vervolgens aan boord gehesen, waar ze van hun lever ontdaan werden. Deze lever werd verwerkt in pillen die de piloten tegen nachtblindheid zouden beschermen.
Vanaf deze vissersboot zette Bralt voor het eerst voet aan wal in Costa Rica. De boot kreeg motorpech en daarom werd in Puntarenas aangemeerd voor een reparatie.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam Bralt terecht in Hotel Metropoli van Frans Westgeest. Frans wilde eigenlijk wat anders doen dan een hotel runnen en was bezig om een vleesbewerkingsfabriek op te zetten in San Miguel de Desamparados. Hij vroeg Bralt hem daarbij te helpen. Bralt had inmiddels een aardig Costaricaans meisje ontmoet, Dula Porras Aguero. Zij was zó aardig, dat hij voor haar zijn Amerikaanse plannen opgaf. Zodoende ging Bralt werken voor Frans en hielp hem eerst in het hotel en daarna met de vleesbewerkingsfabriek. Er zat echter niet veel schot in. Een technische man op het gebied van worstmakerij, Piet van Boxtel, zag ook dat het beter kon.
In 1949 was Piet na aandringen van vrouw terug naar Holland gegeaan. Bralt nam alles in en om de worstfabriek (natuurlijk ook de recepten) over en ging alleen door. Zijn producten kregen de naam Jimmy's, de bijnaam van Bralt, die hij kreeg van de Geallieerden met wie Bralt in de oorlog voer. Zij konden Bralt's naam niet goed uitspreken. In een bar in Nederlands Indië is hij toen omgedoopt tot Jannes, dat echter nog steeds te moeilijk bleek voor zijn Amerikaanse medebemanningsleden. Die noemden hem, kort en krachtig, Jimmy.
|